orkestfoto

Programma

Muziek is ons brein

November 2014

Muziek is ons brein

Wolfgang Amadeus Mozart - Ouverture Die Zauberflöte

Igor Stravinsky - Suite De Vuurvogel (1919)

Josef Suk - Póhadka

In het programma Muziek is ons brein ontwikkelt KamerFilharmonie Der Aa van een met lichtzinnig Hanswurst doordrenkt verhaal met sterke spirituele verwijzingen naar samengevoegde Russische en Slowaakse sprookjes waarin het magische en wereldlijke conflicteren. De ouverture kondigt de belangrijke thema’s van de opera in het klein aan, terwijl de twee suites een vernauwing van een groter ballet en toneelstuk zijn. Filmmuziek uit de achttiende, negentiende en twintigste eeuw gebaseerd op eeuwenoude rituelen en ritualen die in de eenentwintigste eeuw opnieuw tot de verbeelding spreken.

Dick Swaab zal u in inwijden in de effecten van ritmes en tempi op uw cognitieve functies. Is Mozarts diepgelaagde muziek oppervlakkig beschouwd een goede studiebegeleider? Wat valt er te zeggen over de verbeeldingskracht van programmatische muziek van Stravinsky en Suk? Zijn a-/polytonale klanken onrustgevend? Wie weet heeft u vanavond na het horen van de hedendaagse kijk begeleid door 119 jaar muziekgeschiedenis wat antwoorden gekregen, of misschien wel meer vragen.


Wolfgang Amadeus Mozart
Ouverture Die Zauberflöte

It was his bequest to mankind, his appeal to the ideals of humanity. His last work is not Tito or the Requiem; it is Die Zauberflöte. Into the Overture, which is anything but a Singspiel overture, he compressed the struggle and victory of mankind, using the symbolic means of polyphony; working out, laborious working out in the development section; struggle and triumph. [Alfred Einstein; Mozart, His Character, His Work; Oxford University Press; 1962: 467-468]

Het Duitse singspiel Die Zauberflöte (De toverfluit) stond in de herfst van 1791 geprogrammeerd toen Mozart al ernstig ziek was en snel te overlijden kwam. Mozart schreef de muziek voor het singspiel en theaterproducent Emanuel Schikaneder schreef het libretto. Schikaneder baatte sinds 1789 het Freihaustheater of Theater auf der Wieden nabij Wenen uit. Mozart en Schikaneder begonnen in het voorjaar van 1791 aan Die Zauberflöte te werken, toen Schikaneder voorstelde om een sprookjesopera te maken. Correspondentie suggereert dat Mozart er in april al aan werkte en toen zijn vrouw Constanze in juni naar kuuroord Baden vertrok om de zomer door te brengen, bleef hij in een huisje in de buurt van het theater om te componeren. De ouverture was op 28 september afgerond, twee dagen voor de première (van het hele singspiel) die Mozart zelf dirigeerde. Het singspiel werd meteen zeer goed ontvangen; in 1792 volgde in Amsterdam de Nederlandse première (De Tooverfluyt).

Er wordt veel gespeculeerd over de inspiratiebronnen van Die Zauberflöte. Zonder twijfel werden Mozart en Schikaneder geïnspireerd door het sprookje 'Lulu oder die Zauberflöte' uit 1788 van August Jacob Liebeskind. Dit was het belangrijkste sprookje uit de bundel Dschinnistan van Christoph Wieland, een bundel waar Schikaneder vaker in zijn eigen theaterproducties gebruik van maakte. Daarnaast was er de invloed van de Hansworsttraditie, waarin een simpele figuur in een onbekende situatie wordt geplaatst. In Die Zauberflöte is er de eenvoudige vogelvanger Papageno die contrasteert met het spirituele en prinselijke van Tamino. Een derde bron is de Vrijmetselarij, waar tal van verwijzingen in de enscenering, tekst en de muziek naar zijn. Zo speelt Die Zauberflöte zich af in Egypte, het land waarvan wordt gesuggereerd dat daar de basis van de Vrijmetselarij ligt.

Dit singspiel kan als een Bildungsoper worden geclassificeerd, waarin de held groeit naar waarachtigheid en ware liefde door lering te trekken uit beproevingen. In het eerste bedrijf wordt de prins Tamino door de Koningin van de Nacht gevraagd om haar dochter Pamina te bevrijden nadat zij door de priester Sarasto is gevangengenomen. In het tweede bedrijf blijkt dat de Koningin kwaadaardig is en Sarasto de vertegenwoordiger van het goede is. Sarasto wijdt Tamino in de ware wijsheid en leidt hem tot Pamina door hem aan allerlei beproevingen te onderwerpen. Papageno, die door Schikaneder zelf gespeeld werd, vertegenwoordigt een lager niveau van ontwikkeling waarin hij zijn eigen waarheid en wijsheid vindt, leidend tot het plezier van het ontmoeten van zijn vrouwelijke gelijke, Papagena.

De ouverture opent met drie akkoorden, waarvan de eerste in Es groot (met drie mollen). Deze representeren enerzijds de tempel en diens hogepriester Sarasto, anderzijds zijn het in concreto drie kloppen op de deur van de tempel van een kandidaat die een deel uitmaken van de ritualen van de Vrijmetselaars. Hierna ontvouwt zich een Franse ouverture die altijd begint met een langzaam (adagio) deel en door een fuga (allegro) wordt gevolgd. De keuze om een Franse ouverture te schrijven kan worden opgevat als een verwijzing naar het dramatische/theatrale. De fuga is thematisch geïnspireerd op het openingsthema van de pianosonate opus 24 nummer 2 van Muzio Clementi. Mozart had dit werk door Clementi uitgevoerd gehoord tijdens een muzikale wedstrijd aan het hof van Keizer Josef II waar Mozart en Clementi samen aan deelnamen. De expositie van de fuga in sonatevorm wordt drievoudig door drie akkoorden afgesloten. De fuga kan worden beschouwd als verwijzing naar het geestelijke, terwijl Mozarts keuze om de fuga te gieten in een sonatevorm naar het wereldlijke verwijst. Na de ouverture volgt de rest van het singspiel, een operagenre waarin geen recitatieven zijn, maar gesproken dialogen, eenvoudige ariavormen en een komisch plot.

Igor Stravinsky
Suite De Vuurvogel (1919)

Il fallait bien commencer par queque chose.
[Antwoord van Debussy volgens Stravinsky op zijn vraag wat hij nu écht vond van De Vuurvogel]

Het ballet De Vuurvogel ging 25 juni 1910 als onderdeel van de Ballets Russes in het Théâtre National de l'Opéra in Parijs in première. Daarbij werd de volgende geschreven toelichting gegeven:
De Vuurvogel, een van de populairste Russische sagen, begint als de kroonprins Ivan Tsarevitsj een prachtige vogel ziet, helemaal van goud en brandend; hij probeert maar het mislukt om hem te vangen, en slaagt er alleen in om één van zijn glinsterende veren te pakken. Zijn jacht heeft naar het landgoed van Katchei de Onsterfelijke geleid, de halfgod van het kwaad die probeert om hem te vangen en in steen te veranderen, zoals hij al heeft gedaan met vele ridders. Maar de dochters van Katchei en dertien prinsessen, zijn gevangenen, grijpen in en proberen Ivan Tsarevitsj te redden. Uiteindelijk komt de Vuurvogel te voorschijn, maakt de betovering ongedaan. Het kasteel van Katchei ging ten onder, en de jonge dochters, de prinsessen, Ivan Tsarevitsj en de bevrijde ridders pakken de waardevolle gouden appels uit zijn tuin.

Hiermee werd genegeerd dat het ballet eindigt met de kroning en bruiloft van Ivan Tsarevitsj, hetgeen een idee van Stravinsky zelf was. Het verhaal in het ballet is in werkelijkheid uitgebreider, wat blijkt uit wat de choreograaf Michel Fokine erover weergaf: In het maanlicht ziet Ivan Tsarevitsj de Vuurvogel en wordt verblind door haar helderheid. Hij bereidt zich voor om haar neer te schieten, maar bedenkt zich en kiest ervoor om haar levend te vangen. Ze vliegt naar de boom met de gouden appels in de tuin van Katchei de Onsterfelijke, waar Ivan haar vangt. Ze vraagt om genade waarop hij haar laat gaan. De Vuurvogel staat één van haar vlammende veren af, erbij aangevend dat deze hem nog van pas zal komen. Hij stopt deze talisman bij zich en vertrekt. Daarna opent de deur van het kasteel van Katchei en twaalf prachtige prinsessen, gevolgd door de Prinses van Onaardse Schoonheid, komen naar buiten. Ze lopen de tuin in waar ze met de gouden appels gaan spelen. Een appel van de Onaardse Schone rolt in het struikgewas waar Ivan schuilt. Hij pakt de appel op, buigt voor de Prinses en geeft haar de appel terug. De prinsessen schrikken op en nemen wat afstand van Ivan, hoewel ze gecharmeerd zijn van zijn uiterlijk, bescheidenheid en galantie. Vervolgens speelt hij mee met hun spel. De Onaards Schone Prinses raakt verliefd op Ivan en hij op haar. Als de zonsopkomst zich aandient, vluchten de prinsessen weer het paleis van Katchei binnen. Ivan volgt hen, maar de Onaardse Schone houdt hem tegen en vertelt hem dat dit zijn dood zou betekenen. Buiten de muur beseft hij dat hij niet meer zonder haar kan leven en gaat naar haar op zoek. Als hij de poort met zijn zwaard bewerkt, gaat het alarm (een magisch carillion) af. Duivelse Bolibotchkis en Kikimoras komen er uit het kasteel en vangen Ivan. Katchei verschijnt en ondervraagt zijn gevangene. Ivan neemt zijn hoed af, maar bespuugt Katchei als hij diens afgrijselijke gezicht ziet. Ivan wordt tegen een muur geplaatst, gebouwd van versteende ridders, en Katchei begint de spreuken uit te spreken waarmee hij Ivan zal verstenen. Opeens herinnert Ivan de veer van de Vuurvogel. Hij zwaait ermee waarna zij verschijnt. Ze betovert Katchei en zijn demonen waardoor ze moeten dansen totdat ze uitgeput op de grond zullen vallen. Ivan probeert ondertussen de prinsessen te bevrijden, maar de Vuurvogel leidt hem naar een boomstronk waarin een pakketje verstopt zit. In het pakketje zit een ei dat de ziel van Katchei bewaard en daarmee zijn onsterfelijkheid verzekert. Ivan schudt het ei, waarop Katchei rondkronkelt. Als Ivan het van hand naar overgooit, vliegt Katchei heen en weer over het podium. Als Ivan het kapot gooit, valt Katchei dood neer. Zijn kwade koninkrijk verdwijnt en wordt vervangen door een schitterende stad. Ivan en de Onaards Schone Prinses zijn getrouwd en worden gekroond tot Tsaar en Tsarina.

Voornoemde verhaal is een combinatie van de twee Russische sprookjes De Vuurvogel, Ivan de Tsarenzoon en de grijze wolf en De dood van Katchei de Onsterfelijke. Het gedicht Een winterreis van Yakov Polonsky heeft de primeur wat betreft deze combinatie, daar komen zowel Katchei als de Vuurvogel in voor.

Het was Sergei Diagilev die Stravinsky’s genie herkende nadat hij het werk Feu d’artifice uit 1908 en op 6 februari 1909 Scherzo fantastique had gehoord. Hij had Stravinsky al gevraagd om Kobold van Edvard Grieg te orkestreren voor het ballet Le Festin of het ballet Les Sylphides. Hij vaardigde, aangemoedigd door Alexander Tsjerepin, vervolgens de opdracht uit om zijn eerste moderne ballet te componeren. Stravinsky staakte tijdelijk met zijn werk aan de opera Le Rossignol (De Nachtegaal) om in november 1909 te beginnen aan de Vuurvogel. De opdracht kwam pas in december, nadat Diagilev eerst componisten had benaderd onder wie Anatol Liadov, maar die kwam door een chronisch alcoholprobleem niet aan componeren toe. Stravinsky heeft opgetekend dat toen Diagilev hem vroeg om te beginnen met schrijven, deze verbaasd reageerde toen Stravinsky hem verklapte dat hij er al mee begonnen was. Hij verbleef van november tot december in een Datsja van Rimsky-Korsakoff die ook regelmatig in de Datsja aanwezig was en aan wie hij het ballet later opdroeg. Diens invloed blijkt ook in de compositiestijl: voor de muziek van Ivan Tsarevitsj, de prinsessen en de hymne en dankzegging in de finale schrijft hij diatonisch, de twee Khovorod-delen zijn volksmelodieën (die Rimsky-Korsakoff in zijn Sinfonietta gebruikte) en de muziek voor magische wereld van de Vuurvogel en Katchei is opgebouwd uit een chromatisch interval: de overmatige kwart. Deze techniek waarin verschillende vormen gekoppeld waren aan personages gebruikte Rimsky-Korsakoff in zijn De gouden haan. De schetsen van de Vuurvogel waren maart 1910 klaar, het pianouittreksel op 3 april en de orkestratie op 18 mei. Later merkte hij zelf over de schrijfstijl op dat zijn melodische stijl in de lijn van Tsjaikovsky en de orkestratie in de lijn van Rimsky-Korsakoff lag.

Stravinsky arriveerde 7 juni vanuit Sint Petersburg in Parijs voor de repetities. Op basis daarvan voerde hij vele revisies en correcties door. Diagilev zag Stravinsky’s ijver en liet zich ontvallen: Let op deze jonge componist, hij begeeft zich aan de vooravond van zijn sterrendom. Het bleek een goede inschatting, de première in Paris Opéra onder leiding van Gabriel Pierné in de choreografie van Michel Fokine, kostumering van Léon Bakst en in een enscenering van Alexander Golovin was een doorslaand succes, er werden extra uitvoeringen ingepland en het ballet werd gedurende de hele zomer opgevoerd. Richard Strauss had als kritische nood dat je een theaterwerk luidruchtig moet beginnen om de publieke aandacht op te eisen, waarop Stravinsky reageerde met een opgetrokken wenkbrauw. Claude Debussy daarentegen nodigde hem meteen uit om samen met Erik Satie te lunchen. Het eclatante succes legde de basis voor zijn succesvolle carrière en de mogelijkheden om eerst met Petroesjka (1911) en later Le Sacre du Printemps (2013) verdere muzikale grenzen te slechten.

Het ballet in 1910 met als titel L'oiseau de feu; Conte dansé en deux tableaux bestaat uit 19 delen dat ongeveer 45 minuten duurt, waarvan de bezetting volgens Stravinsky “verkwistend groot” was. schreef Stravinsky in 1911 zijn Eerste Concertsuite Suite tirée du conte dansé' L'Oiseau de Feu waarin de bezetting ongewijzigd bleef, maar de muziek in 5 blokken werd verdeeld en enkele delen werden geschrapt. Ook veranderde hij enkele passages zodat de blokken een passend einde hadden. Deze versie duurt ongeveer 21 minuten In 1919 schreef hij in Morges een tweede suite Suite de L'oiseau de feu / (Réorchestrée par l'auteur en 1919) pour orchestre waarin hij andere delen opnam en de bezetting van vooral de houtsectie verkleinde (tweevoudig in plaats van viervoudig). Deze werd op 12 april 1919 in de Victoria Hall in Genève door het Orchestre de la Suisse Romande onder leiding van Ernest Ansermet in première gebracht en duurt eveneens ongeveer 21 minuten. In 1945 schreef hij de Suite de ballet waar hij weer meer delen in opnam en het deel Berceuse van naam veranderde in Lullaby, maar nog steeds in een kleinere bezetting. Deze versie bestond uit 10 blokken, durende ongeveer een half uur. De vraag is of er ooit een punt komt of de muziek zoals Stravinsky die had geschreven teruggehoord kan worden. De muziek voor het ballet in 1910 en de concertsuites uit 1911, 1919 en 1945 zitten allen boordevol foute notaties waarvoor in de diverse uitgaven verschillende oplossingen worden gegeven.

Josef Suk
Póhadka

Aan mijn goede vriend Oskar Nedbal, de peetvader van de symfonie en Sprookje, met oprechte dank voor zijn begrip en uitvoering, is dit manuscript opgedragen. Josef Suk
[geschreven op de partituur van Oskar Nedbal]

Pohádka is een vierdelige orkestsuite waaraan Josef Suk op 2 september 1899 in zijn geboortedorp Křečovice begon te werken. De muziek voor de eerste twee delen had hij aan het eind van de maand samengesteld. Op 12 februari 1890 begon hij in Amsterdam te werken aan het derde deel, dat hij op 12 mei 1890 in Křečovice afrondde. Het vierde deel was op 9 juni 1890 klaar. De muziek was een samenraapsel uit de toneelmuziek die hij componeerde bij Radúz a Mahulena (opus 13) die hij in 1897-1898 schreef. Zo gebruikte hij voor het eerste deel muziek uit de eerste en derde akte van het toneelstuk.

Het toneelstuk is een sprookje van Julius Zeyer (1841 – 1901), gebaseerd op een oude Slowaakse legende die verhaalt over de twee geliefden prins Radúz en prinses Mahulena die wreed gescheiden worden omdat zij tot twee rivaliserende koninkrijken behoren. Door het toepassen van toverkunsten en de overweldigende kracht van hun liefde wordt de vloek op hun liefde opgeheven en worden Radúz en Mahulena gelukkig verenigd. De liefde en lyriek overheerst in deze compositie. Het eerste deel gaat over hun liefde, die weliswaar door disharmonie bedreigd wordt, maar het grootste deel is tedere muziek met een belangrijke rol voor de eerste violist. Het tweede deel is een vrolijke (volks)dans die een wedstrijd tussen zwanen en pauwen uitbeeldt. Het volgende deel wordt aangeduid met treurmuziek, omdat Radúz door toverkracht zijn geliefde geheel vergeten is. De muziek grijpt terug op het deel uit Het Zwanenmeer van Tsjaikovski, waar Prins Siegfried vreest dat hij zijn geliefde Odette voor eeuwig verloren heeft. In het laatste deel overheerst de triomf omdat de vloek op de liefde verbroken is, te horen in majestueuze orkestpartijen. Maar ook hier voert de kalme liefdesmuziek de boventoon, waar in het slot de soloviool weer terugkeert.

6 juni 1898 werd het toneelstuk in het Nationaal Theater in Praag onder leiding van Adolf Čech voor het eerst uitgevoerd. In 1912 bewerkte Suk nog eens de muziek voor dit toneelstuk. De suite werd op 7 februari 1901 in het Rudolfinum door het Tsjechisch Filharmonisch Orkest onder leiding van Oskar Nedbal voor het eerst uitgevoerd tijdens een concert van het Tsjechisch gezelschap voor orkestmuziek. Josef Suk droeg de suite aan Zdenka Hlávková op, die Zeyer had aangeraden om Suk te vragen de muziek voor zijn toneelstuk te schrijven.


'Gasten-inlogpagina' Naar boven Over de website