orkestfoto

Programma najaar 2010

'Entartete Kunst'

Gustav Mahler – Totenfeier (1888)

Mahler herinnert zich het oordeel van Hans von Bülow nadat hij op de piano zijn Totenfeier voorspeelde en Von Bülow daarbij zijn handen op zijn oren hield bij het luisteren vanwege de letterlijke en figuurlijke pijn die de muziek bij hem teweeg bracht: “Als dit nog muziek is, begrijp ik niets van muziek!”

Zelfstandig werk?

In de zomer van 1888 begint de 28 jarige Gustav Mahler aan een symfonie in c, 10 september 1888 was het eerste deel af. Tussen 1888 en 1893 heeft hij het besluit genomen dit deel een eigen naam te geven, Todtenfeier (toenmalige spelling), en mogelijk beschouwde hij dit deel enige tijd als een zelfstandig werk, blijkens het volgende. In een brief van Mahler in oktober 1891 aan dr. Strecker schrijft hij dat hij onder andere een symfonie, een groot sprookje voor koor, orkest en solisten, een symfonisch gedicht en een twintigtal liederen heeft geschreven. Dit is de enige geschreven aanwijzing dat dit deel als een zelfstandig symfonisch gedicht zou kunnen worden beschouwd, de volledige Tweede symfonie in c was immers pas in 1894 af. Hier staat tegenover dat ten tijde van dit schrijven zijn Eerste symfonie nog als Symphonisch Dichtung in zwei Teilen bekend stond en dus mogelijk ook bedoeld kon worden in deze brief, waarbij de vraag rijst of hij dan met ‘een symfonie’ de nog niet voltooide symfonie in c bedoelde. Dhr. Foerster heeft verteld dat Mahler hem een stuk voorspeelde op de piano waar op het manuscript Todtenfeier stond geschreven en later bekend stond als het eerste Allegro uit de Tweede symfonie. Ook in december 1892 heeft Mahler het in een brief aan dhr. Löhr nog over mijn Todtenfeier. 13 december 1895 voert de Berliner Philharmoniker onder Mahler zijn eigen leiding de volledige Tweede symfonie voor het eerst uit, opvallend genoeg wordt op 16 maart 1896 het eerste deel ook nog een keer apart uitgevoerd onder de titel Todtenfeier, hierbij laat Mahler wel aantekenen dat deze muziek het eerste deel vormt van zijn Tweede symfonie. Het blijft dus de vraag of Mahler de Totenfeier als zelfstandig werk heeft beschouwd, hij heeft er echter geen bezwaar tegen gehad om het los van de andere delen uit te voeren. Pas in 1988 is door Universal Edition de oerversie uit 1888 uitgegeven als Totenfeier: symphonische Dichtung für grosses Orchester. Over de naam die de uitgever hier opvoert, kan men dus redetwisten.

Verschillen

Er zijn wezenlijke verschillen tussen de Totenfeier en de definitieve versie van het eerste deel van de Tweede symfonie. De bezetting van het slagwerk en pauken is kleiner, er spelen vier in plaats van zes hoornisten, drie trompettisten in plaats van vier, dat geldt ook voor de trombonisten en er is één harp in plaats van twee. In de definitieve versie laat hij twee grote passages en enkele versieringen in de houtblazers weg, maar in de orkestratie zijn verder maar kleine verschillen. Het meest opvallend zijn de aanwijzingen in de partij. Mahler had de gewoonte om op basis van de repetities uitermate precieze aanwijzingen voor onder andere dynamiek en tempo te geven van zijn werken te geven, in de Totenfeier zijn deze voor Mahlers doen spaarzaam aanwezig. Omdat diverse subtiliteiten zodoende niet tot uitdrukking kunnen komen, heeft de Totenfeier een massiever karakter, hoewel de klank door de dunnere blazerbezetting af en toe doorzichtiger is.

Programma

De titel ‘Todtenfeier (Allerzielen) is waarschijnlijk ontleend aan een gedicht van de Pool Adam Mickiewicz, dat zojuist in een Duitse vertaling was verschenen. Dit gedicht behandelt een dode Gustav die na middernacht herrijst en als ziel terugkeert. “Eigenlijk sluit mijn Tweede symfonie meteen aan op de Eerste,” schreef Mahler op 26 maart 1896 aan componist en muziekcriticus Max Marschalk.“Het is de held uit mijn Eerste symfonie die ik hier ten grave draag,” aldus de componist. Ook stelt hij: “Het eerste deel gaat over het Titanengevecht van de mens met het lot dat hem steeds doet verliezen: de dood.” Hiermee verwijst hij wederom naar de held in zijn Eerste ‘Titan’ symfonie. Mahler realiseert zich maar al te goed dat zijn symfonieën niet voor iedereen meteen toegankelijk zijn. Daarom schrijft hij bij zijn Tweede, zij het met de nodige tegenzin, een programma waarin hij het werk toelicht. In het eerste deel, een dodenmars, wordt de held uit de Eerste naar zijn laatste rustplaats gebracht: ‘We staan aan het graf van een geliefde persoon. Zijn leven, strijd, lijden en streven trekken nog eenmaal voor de laatste keer aan ons geestesoog voorbij. En nu, op dit ernstige en diep aangrijpende ogenblik, nu we al het verwarrende en laag-bij-de-grondse van het dagelijkse leven als een deken van ons afwerpen, wordt ons hart gegrepen door een angstaanjagend ernstige stem waaraan we anders in het leven van alledag nauwelijks aandacht schenken: “Wat nu? Wat is het leven - en nu deze dood? Is er leven na de dood? Is dit alles slechts een verwarde droom, of hebben dit leven en deze dood een betekenis?” En we moeten deze vraag beantwoorden willen we verder kunnen leven.’

Opbouw

De Totenfeier is een donker gekleurde dodenmars, een van de vele dodenmarsen in Mahler's oeuvre. Het heeft in grote lijnen de sonatevorm (expositie - doorwerking - reprise - coda). Het meest opmerkelijke thema is het door de lage strijkers ingezette ‘doodsthema’ in een afwisselend gepuncteerd en triolen ritme. Dit thema is een soort grondzee, waarvan de invloed bijna altijd wel merkbaar is. Een ander opmerkelijk thema dat in de loop van het deel opduikt is het ‘Dies Irae" uit de Gregoriaanse requiemmis, een thema dat door tal van componisten is gebruikt om dood en vergankelijkheid uit te drukken. Het deel besluit met een chromatische rush naar beneden, eindigend in doffe pizzicati, als kluiten aarde die op een doodskist vallen.

Naar boven