orkestfoto

November 2015

Werkman en het Hogeland

Inspiratiebron voor dit project is de Groninger kunstenaar Hendrik Werkman en zijn relatie met het Hogeland. Hendrik Werkman werd geboren in Leens (gemeente De Marne) en bracht de eerste tien jaar van zijn leven door in dit Groningse dorp. De Groningse componist Anke Brouwer schreef in opdracht van KamerFilharmonie Der Aa een compositie over het leven van Hendrik Werkman. Bij deze compositie worden bijpassende filmbeelden vertoond (samenstelling: Anke Brouwer en Carel Kuitenbrouwer). Hoofdwerk van het project “Werkman en het Hogeland” is de negende symfonie van Ludwig van Beethoven met een Groningse vertaling van de teksten. Op latere leeftijd ontwikkelde Werkman een voorkeur voor de muziek van Beethoven: voor Werkman verklankte deze muziek het Groningse landschap. Dit is de aanleiding geweest om ter afsluiting van het Werkmanjaar (2015) de negende symfonie van Beethoven in een Groningse vertaling uit te voeren.

Kleurengeluidsignaal - Anke Brouwer (1975)

OUVERTURE - “Werkmans jeugd op het Hogeland”
De vader van Hendrik was als veearts vaak op pad met zijn koetsje en paard Noorman. Een groot deel van het Hogeland was zijn werkgebied. Hendrik en zijn broers reden regelmatig met hem mee. In het eerste deel wordt het traag voorbijglijdende landschap verklankt, zoals het gezien zou kunnen zijn vanuit het koetsje: de hoge luchten, lustig hoefgetrappel en de molens, torens en bomen. Daarbij klinkt een vrolijke, breekbare solomelodie op klarinet, het instrument dat Hendrik Werkman zelf met plezier bespeelde. Hendrik was van jongs af aan geïnteresseerd in nieuwe ontwikkelingen in de kunst, dus hier ook de eerste aanzetten tot zijn latere liefde voor jazz. De klarinetsolo is losjes gebaseerd op een eeuwenoude melodie uit Groningen (“Et trop penser”), waarschijnlijk gecomponeerd door beroemd humanist en Groninger Rudolph Agricola (uit: ”Klinkende Klei”, Braaksma e.a.).

OPUS - “Werkmans volwassen jaren”
Een chaotisch deel over de drukte die hoort bij het stadse leven, het hebben van een gezin, het opzetten en leiden van een bedrijf. Zoeken naar momenten van stilte om te kunnen “spelen met letters, blokjes, en met verf” (citaat uit een brief van zijn vriend August Henkels). Een deel met een overwegend vrolijk karakter, met stadse geluiden in de elektronica. Het Hogeland is op de achtergrond latent aanwezig. Hier een abrupt einde, zoals Werkmans leven eindigt op 10 april 1945.

CODA - “Het Hogeland zonder Werkman”
De hoge luchten en de lijnen van het vlakke land zijn gebleven, het lustig hoefgetrappel is verdwenen... Gedurende dit deel, waarin de Anke Brouwer teruggrijpt naar de oorsprong van de Groningse muziek (Et trop penser), leggen/zetten steeds meer musici hun instrument neer om mee te zingen met een eenvoudige eenstemmige melodie, waarmee het stuk eindigt. Hier ook zeker geen drama, maar meer een beschouwelijke melodie, waar ieder het zijne van kan denken.

Door de componiste

Negende Symfonie in d mineur (1823/1824) – Ludwig van Beethoven (1770-1827)

Zonder twijfel is de Negende Symfonie Beethovens beroemdste en meest omstreden werk. Vanaf de eerste uitvoering in 1824 te Wenen tot op de dag van vandaag is de symfonie bij uitstek een publiekslieveling en kan elk mens ouder dan een jaar of vier de melodie van ‘Ode an die Freude’ meeneuriën. Bij de val van het IJzeren Gordijn en de Berlijnse Muur was geen muziekstuk geschikter om uiting te geven aan de euforische gevoelens van bevrijding en broederschap. Tegelijkertijd heerst echter bij veel musicologen een andere mening: zij halen bij de Negende minzaam hun neus op en doen het stuk af als een monstrueus vehikel, al dan niet vergezeld van het commentaar “alleen de eerste 18 maten van het Adagio vind ik mooi” of “geef mij de Achtste maar”. Zelfs Mendelssohn schreef in een brief: “vanaf waar de zangstemmen inzetten, begrijp ook ik het werk niet”.

Desalniettemin zal niemand de revolutionaire effecten die de Negende op muzikaal gebied sorteerde ontkennen. Die effecten braken overigens pas aan het eind van de 19e eeuw definitief door. Lange melodiefrasen vormen een typisch romantisch kenmerk; de geheimzinnige inleiding stond model voor enkele Bruckner-symfonieën. Het toevoegen van een koor en zangsolisten in het laatste deel was nooit eerder in een symfonie gedaan en door de ondubbelzinnige tekst van Schiller verschafte dit het opus een sterke ideologische lading, die in latere interpretaties nog sterk werd aangedikt (bijvoorbeeld door Lenin, die er het communistisch ideaal in terugzag). Mahler heeft veel aan Beethoven te danken met zijn gigantische symfonische bouwsels die, verhalend over de worsteling van de mens, niet zelden gebruik maken van koor en solisten.

Er zit een duidelijke ontwikkeling in de symfonie van donker naar licht. Het eerste deel, Allegro non troppo e un poco maestoso, kan samengevat worden onder de titel ‘Strijd’. Met zeer eenvoudige middelen begint Beethoven zijn tour de force. Heel zacht leggen de strijkers een dekentje neer van snelle sextolen op A en E, versterkt door de hoorns. Na een paar maten maken de eerste violen van deze twee noten een melodie, in dalende opeenvolging gespeeld: e-a, a-e, e-a. De harmonische en ritmische spanning neemt toe, resulterend in een fortissimo-uitbarsting van het hele orkest, die echter snel weer wegzinkt in pianissimo. Pas na een tweede aanloop wordt het heftige, strijdlustige eerste thema neergezet. De onverbiddelijke sfeer maakt al snel plaats voor een tweede themagroep in Bes. Houtblazers heffen hier kort een lieflijker melodie aan, aangevuld door golvende strijkers. Smeekbeden en heroïsche statements, die aan het Vijfde Pianoconcert doen denken, wisselen elkaar in hoog tempo af. De harmonie is labiel.

Vervolgens lijkt de traditionele herhaling in te zetten: de e-a-constructie van het begin keert terug. Echter na enkele maten, nog immer in pianissimo, moduleert Beethoven plots op subtiele wijze, en blijken we in de doorwerking te zitten. Het eerste en tweede thema worden in een textuur van fugato’s door verschillende orkestsecties uiteengetrokken. Het meest dramatische moment in het deel wordt bereikt als aan het eind van de doorwerking het orkest opeens in een zeer gewelddadige episode belandt waarin de pauken woest razen. De reprise volgt, waarin niets is wat het lijkt. Instrumentgroepen veranderen van plaats, ritmes en harmonieën worden gemanipuleerd en motieven volgen elkaar in sneller of juist veel langzamer tempo op.

De coda van het eerste deel is ingenieus van opzet. Bruckner zou deze nog vaak imiteren. Het slot wordt ingeleid door repeterende tremololijnen in de lage strijkers en blazers; andere instrumenten vallen in, een genadeloos crescendo volgt, de spanning wordt ondraaglijk en in fortissimo wordt het hoofdmotief uit het eerste thema uitgestoten. De strijd is onbeslist.

Het tweede deel is een Scherzo, dat de demonie uit het eerste deel hoog in het vaandel houdt. Molto vivace wordt in vier stevige octaafsprongen de hoofdgedachte neergezet; hierin zit reeds het lang-kort-lang-ritme besloten (‘Amsterdam’ op z’n Engels uitgesproken) dat het hele deel overheerst. Na een generale pauze volgt een obsessieve achtervolging in staccato-stijl. De stemming is grimmig en banaal, met een markante rol voor de pauken.

Hoe anders van aard is dan het middendeel! D-groot overheerst hier. Ondanks de voortgaande staccato-loopjes klinken de alt/cello- en hoornsolo’s als hymnen, en worden we herinnerd aan de rustieke landschappen van de Zesde (‘Pastorale’) Symfonie. De bevrijdende sfeer kan als een vooruitwijzing naar het slotdeel worden gezien. Voorlopig echter keert het scherzo onverbiddelijk weer terug.

Naar goede laat-negentiende-eeuwse traditie wordt het Adagio molto e cantabile - Andante moderato door dirigenten meestal veel langzamer genomen dan Beethoven ooit bedoeld kan hebben. Geheel onbegrijpelijk is dit niet, gezien de weidse melodieën die zich gaandeweg ontvouwen.

Het eerste Adagiothema, door violen en blazers uiteengezet, bezit een hemelse rust en zaligheid, wat in schril contrast staat met het voorafgaande. Het Andante, door de alt- en tweede violen ingezet, is van een veel aardser schoonheid. Deze melodie wordt in syncopen door de lage strijkers begeleid, en vormt samen met het Adagio de basis voor een aantal in virtuositeit toenemende variaties en omspelingen; een atletische rol is weggelegd voor de vierde hoorn.

De rust waarmee het deel eindigt wordt zeer wreed verstoord wanneer de blazers met ongekende diaboliek ons eraan herinneren dat het Kwaad nog niet verslagen is. Vanaf dit moment treedt Beethoven buiten alle muzikale paden, ook die door hemzelf in het verleden zijn gebaand. De celli en contrabassen nemen de rol van Voorganger op zich: in quasi-recitatiefstijl verwerpen zij met grommende afkeuring het helse lawaai van de blazers (uit oorspronkelijke schetsen blijkt dat Beethoven deze rol eigenlijk aan de baszanger toebedeeld had, inclusief tekst). Vervolgens worden door het orkest in chronologische volgorde fragmenten van de vorige delen gespeeld, die echter zonder uitzondering op forse afstraffing van de lage strijkers kunnen rekenen. Pas bij de eerste omspelingen van het beroemde ‘Brüder’-thema klinkt er goedkeuring door en zonder ver-dere schroom spelen de celli en bassen vervolgens de volledige melodie. Alten en fagot vallen in, de muziek wint aan kracht en statigheid.

Dan keert wederom de diaboliek van de beginmaten terug en grijpt de bassolist in: “O Freunde, nicht diese Töne!” In het koor en overige so¬listen vindt hij zijn gelijkgestemden, en vanaf dit punt tot aan de slotmaat rest slechts vrome opwinding en uitzinnige vreugde. Een reeks variaties op het Brüder-thema begint met een humoristische mars, begeleid door triangel en grote trom. Na een dubbele fuga van het orkest barst het koor los in wat het hoogtepunt van het Brüder-thema zal blijken.

Een magische episode wordt door de mannen van het koor geïntroduceerd: “Seid umschlungen, Millionen!” Op magische wijze wordt God ‘die boven het gesternte woont’ als in een visioen aangehaald. Na een zinderende fermate, waarin het voltallig ensemble ten hemel lijkt te stijgen, buitelen de thema’s in dubbelfuga’s en extreme tempowisselingen over elkaar heen, een extatische viering van de Vreugde. Na enkele intermezzo’s van het solistenkwartet wordt in de coda de roes overweldigend en heeft het orkest het laatste woord.

Door musicoloog Floris Don voor het VU-kamerorkest

(KamerFilharmonie Der Aa voert de symfonie in het Hogelandster Gronings uit, de geciteerde teksten zijn dus niet van toepassing op onze concerten).


Sopraan - Ellen Valkenburg
Alt - Hanneke Tichelaar
Tenor - Harald Quaaden
Bas/Bariton - Joep van Geffen

Joost Smeets - Dirigent


Kijk in de concertagenda voor meer informatie over de concerten.


Dit programma is mede mogelijk gemaakt door financiële ondersteuning van:

Prins Bernhard Cultuurfonds Groningen Kunstraad Groningen
GemeenteGroningen Huis van de Groninger Cultuur

Fonds voor de Landbouw in de privincie Groningen

H.S. Kammingafonds

'Gasten-inlogpagina' Naar boven Over de website